10 februari 2014

Getijden van het jaar

 

Vijfde middag van de cursus ‘Geloven? Laat mij het maar zingen!’

 

Aanleiding: Ingebruikname van een nieuw liedboek in veel Protestantse Kerken

 

Dat kennen we wel, zowel uit de oude Hervormde gezangenbundel van 1938 als uit het Liedboek 1973: een afdeling die de Christelijke feesten volgt. Advent, Kerst, tijd voor Pasen, Pasen, Pinksteren – eigen liederen voor elk feest, of voor elke tijd. Ook dit nieuwe liedboek heeft zo’n afdeling: ‘Getijden van het jaar’, zo heeft de redactie dit deel gedoopt. Ik geef hier aandacht aan drie ontwikkelingen, drie ‘nieuwigheden’.

 

1. Antifonen

Ieder onderdeel van het jaar begint met een aantal intochtsantifonen, vaak voor elke zondag één. Wat dat is? In veel kerken wordt nog iedere zondag begonnen met het zingen van een psalm. Zo houden we een band met onze oudste liederen en met het volk waaruit die liederen voortkomen: het volk Israël. Iedere zondag heeft zo zijn eigen psalm, die al eeuwen geleden gekozen is bij juist die zondag. Daarbij is, ook al eeuwen geleden, de gewoonte ontstaan een belangrijke tekst uit die psalm (of bij die psalm) apart te zetten. Die tekst werd een soort refrein, gezongen aan het begin en einde van de psalm. Keervers, een vers dat terug keert, antifoon.

 

Wij, Calvinisten, zijn die antifonen vergeten. In het Gregoriaans bestaan ze nog, en in de kloosters worden ze nog dagelijks bij de psalmen gezongen. Ook de Lutheranen hebben de antifonen tot op heden in ere gehouden. Nu zien we die antifonen terug keren in onze nieuwe liederenschat. Er is gekozen voor antifonen van twee componisten: Jaco van Leeuwen en Leonard Sanderman. Deze twee mannen gaven de antifonen melodieën die muzikaal passen bij de melodie van de psalm waar ze bij horen. Zo kunnen wij deze oude antifoontraditie weer oppakken, bijvoorbeeld door een cantorij of cantor in te schakelen. Maar in het liedboek staan er noten bij. Dat betekent dat ze bedoeld zijn om door de gemeente gezongen te worden.

 

Zijn antifonen nodig? Helemaal niet! Is het boeiend ze in ere te herstellen, waardevol? Jazeker, net zo waardevol als het kan zijn de stamboom van je afkomst te leren kennen: je ziet waaruit je bent voortgekomen en gaat bepaalde verbanden beter begrijpen. Eeuwenlang zijn het juist die antifonen geweest die iedere zondag een eigen naam gaven: Gaudete (verheug je) voor de derde adventszondag, Oculi (ogen) voor de derde zondag in de veertig dagen, om een paar voorbeelden te noemen. Door de antifoonpraktijk weer op te pakken komen wij weer in een tijdsverband te staan, een tijdsverband van eeuwen. Je kunt het ook zo zeggen: Wat schrijft André Troost in gezang 310 op de plaats van ‘Eert uw vader en uw moeder’? Hij dicht: ‘Sla wat het voorgeslacht ons leerde niet onnadenkend in de wind’.

 

2. Drie dagen van Pasen

Hier is een inhaalslag gemaakt op de gegroeide praktijk in veel kerken gedurende de laatste decennia. Liedboek 1973 kende enkel een rubriek ‘tijd voor Pasen’. In die rubriek hoofdzakelijk liederen die het lijden en de kruisdood van Jezus bezongen, vooral liederen dus die goed passen bij Goede Vrijdag. Een ‘lijdenstijd’ van zes weken is in veel kerken een gepasseerd station.

 

Wel zijn veel kerken gestalte gaan geven aan vieringen op Witte Donderdag en Goede Vrijdag, uitmondend in een Paaswake in de late avond van Stille Zaterdag. De afbeeldingen 1 t/m 4 hiernaast hebben er mee te maken. In gewoon Nederlands: uittocht uit alles wat ons onvrij en gebonden houdt (Witte Donderdag), ons onvermogen om een duurzaam leven in vrede met elkaar te realiseren (Goede Vrijdag), en onze doortocht door duistere machten naar nieuw leven, Opstanding (Paaswake). Wilde je daar passende liederen bij zingen dan moest je sprokkelen uit allerlei losse liedbundels.

 

Dat is nu voorbij: Liedboek 2013 geeft een rubriek ‘Drie dagen van Pasen’ met een keur aan keuzemogelijkheden juist voor deze wijze van Pasen vieren. Winst!

 

3. Geloofsgetuigen

Op dit punt hebben wij Calvinisten geen traditie, en wellicht last van koudwatervrees. Wij zingen over Jezus, over God en tot God. Om al zingend mensen hoog te houden, nou ja, misschien in een gedachtenisdienst….. En met dat laatste zijn we waar ik graag wezen wil: langzamerhand ontstaat ook in onze Calvinistische kerken het besef dat we stil kunnen staan bij al die mensen die er niet meer zijn, maar die hebben geprobeerd hun leven te ‘heiligen’ (‘heel houden/maken’), die hebben geprobeerd zich te richten op echt leven, in vrede leven, vrede uit te dragen, de schepping in ere te houden, zodat hun Schepper plezier in ze kon hebben. Dat waren geen heilige boontjes, maar je kunt ze wel heiligen noemen omdat ze hun ijkpunt zochten bij wat wij God noemen. Hen gedenken we op Allerheiligen.

 

Sommigen van deze heiligen zijn tijdens hun leven zo inspirerend geweest dat we ze nog steeds bij name kennen en noemen: Koning David, Maria, Simeon, Mirjam, Hanna kennen we uit de Bijbel. Maar ook in later tijd waren er grote mensen als Gregorius, Luther, Bach die zo inspirerend zijn geweest dat ze in een lied genoemd kunnen worden als bron van licht en warmte. Zie gezang 737. In de nummers daarna wordt Eva, samen met allerlei andere Bijbelse vrouwen genoemd, Maria komt nog een paar keer terug, Franciscus (van Assisi - afbeelding 5 hiernaast) komt voorbij. En dan verschijnt een lied over Willibrord (743), over Sint Maarten (744), en over Nicolaos (drie keer raden wie dat is, 745) – geloofsgetuigen!

 

Met name die laatste drie zie ik als een ontwikkeling: we waren niet gewend om zo over mensen te zingen. Maar we gaan het wél proberen en kijken wat het met ons doet, zeker op deze middag van de tiende februari.

 

Roel Smit

 

 

Design by IndionDesign    © 2017 Roel Smit