20 januari 2014

 De Psalmen

 

 Tweede middag van de cursus ‘Geloven? Laat mij het maar zingen!’

 

 Aanleiding: Ingebruikname van een nieuw liedboek in veel Protestantse Kerken

 

De Psalmen vormen het gebedenboek van het volk Israel. Koning David heeft veel psalmen gedicht en de kans is groot dat hij die liederen/gebeden heeft gezongen, zichzelf daarbij begeleidend op zijn harp.

 

In de synagogen, en zeker ook in de tempel, is muziek gemaakt op psalmteksten, iets wat ook in onze tijd in Joodse gebedshuizen nog steeds gebeurt. Er wordt verondersteld (niemand van ons is er voor onze jaartelling bij geweest) dat de uitvoering van de psalmen een zeer levendige was, waarbij groepen elkaar beurtelings toezongen, solisten in afwisseling met een groep (koor) zongen, of solisten zongen met begeleiding van een koor. Nogmaals: niemand van ons is er bij geweest, maar bestudering van de litteraire gestalte van de psalmen geeft aanleiding tot de conclusie dat het zo gegaan is.

 

De Christelijke Kerk heeft vanaf haar eerste begin het zingen van psalmen overgenomen.  Tot ongeveer 900 na Christus weten we niet hoe dat geklonken heeft. Na dat jaar begint zich steeds duidelijker de muziekstijl van het Gregoriaans uit te kristalliseren: een vloeiende en meditatieve melodiek op teksten in het Latijn, dat inmiddels de algemene kerktaal was geworden. Hiernaast een voorbeeld van de muzieknotatie van het Gregoriaans. Psalmteksten werden in de Gregoriaanse stijl gereciteerd, d.w.z. op één toon, of enkele tonen, gezongen. Je kunt ook zeggen ‘op verhoogde toon gesproken’. De belangrijkste muzikale rol was in handen van het koor en van de priester/voorganger. Het kerkvolk zong niet of weinig.

 

De kerkhervormers Luther en Calvijn (begin 16e eeuw) vonden beiden dat kerkmuziek in de eerste plaats in handen (en vooral uit de monden) moest komen van de kerkgangers, en wel in hun eigen taal. Daarbij was het Calvijn die in eerste instantie aan Clément Marot, en later aan Théodore de Bèze (zie afbeelding 3 hiernaast), vroeg of zij de psalmen uit het oude testament zingbaar konden maken voor de kerkgangers. Zo werden alle 150 psalmen op rijm gezet en in coupletten geknipt. Mannen als Louis Bourgeois en ene ‘Maître Pierre’ hebben de zo ontstane ‘psalmgedichten’ op muziek gezet. Dit alles speelde zich af rond 1550, in Straatsburg en Genève.

 

Deze werkwijze is in Nederland overgenomen: de psalmen omvormen tot rijmende gedichten met een aantal coupletten, maar dan nu niet in het Frans, maar uiteraard in het Nederlands. Daarbij bleven de melodieën van de musici rond Calvijn behouden. Zo zingen wij in onze Calvinistische kerken tot op de dag van vandaag psalmen op melodieën die gemaakt zijn rond 1550 door enkele muzikanten uit Straatsburg en Genève! Uit de tijd? Het is maar hoe je er naar kijkt: Niemand vindt de kathedraal van Reims uit de tijd, niemand vindt de Domtoren uit de tijd, niemand vindt de rivier de IJssel uit de tijd. Ik noem hier bewust drie voorbeelden die gekenmerkt worden door een grote schoonheid. De melodieën van de ‘Geneefse’ psalmen kenmerken zich door een grote schoonheid en een sterke stijleenheid. Samen vormen ze een monumentaal bezit van onze kerken.

 

Wat de gedichten betreft: daar zijn door de eeuwen heen allerlei dichters/theologen mee bezig geweest. Het voert te ver daar hier een overzicht van de schetsen. De 150 Geneefse psalmen in ons nieuwe liedboek zijn in de jaren ’60 van de vorige eeuw berijmd door een groep samenwerkende dichters/theologen die bij elkaar gebracht zijn door de dichter Martinus Nijhoff (zie afbeelding 4 hiernaast). Hij motiveerde mannen als Ad den Besten, Willem Barnard, Muus Jacobse (pseudoniem voor Klaas Heeroma) en verschillende anderen tot dit project, dat een zwaar en soms ondankbaar project was: Je werkte als kunstenaar aan psalmgedichten die ook theologisch moesten ‘kloppen’, en die zo dicht mogelijk moesten aansluiten op de originele bijbeltekst. Was dat allemaal voor elkaar dan liep je nog de kans dat een lid van de synode opstond en bezwaar aantekende tegen een in haar of zijn ogen al te vrije interpretatie van wat het zou moeten zijn. Maar die berijming is er gekomen, hij is opgenomen in het liedboek 1973 en terecht opnieuw opgenomen in het liedboek 2013! Ook wat deze teksten betreft is sprake van een monument, al vreet de tand des tijds sneller aan teksten dan aan melodieën. Terecht ook dat in dit nieuwe liedboek de dichters weer genoemd staan bij elke psalm.

 

Wat is nu in dit nieuwe liedboek de ontwikkeling? Kijk bij psalm 1: die staat gewoon afgedrukt als in het vorige liedboek. Maar nu is er ook een psalm 1a: tekst van Fred Kalis, muziek van Bert Matter. Hier geen coupletten en geen rijm. Wel een refrein, dat door allen wordt gezongen. Daarna een voorganger/voorzanger/cantor/mooi zingende leek, die op andere wijze woorden uit de psalm zingt, telkens bijgevallen door allen die  het refrein weer aanheffen. Een speciaal vers wordt ook in de mond van allen gelegd: ‘Want de Heer kent de weg van de oprechten, maar de weg van wie kwaad wil loopt dood’. Matter geeft de toon bij ‘dood’ een extra lading door in plaats van een gis een g te schrijven.

 

Hier is sprake van een levendige uitvoering door koor (allen) en solist, en van een toonschildering die de tekst kracht bijzet. Dat zijn een paar zaken die niet tot de mogelijkheden behoren van de Geneefse psalmen. Zo zijn er bij allerlei psalmen alternatieve mogelijkheden afgedrukt onder het nummer van de psalm, verlengd met een letter uit het alfabet – soms wel tot g, zie psalm 23. Ons psalmenboek is gegroeid in levendigheid.

 

Naar die alternatieven gaan we vooral kijken, luisteren, en natuurlijk gaan we ze zelf ook zingen op deze middag van 20 januari.

 

Roel Smit

 

Design by IndionDesign    © 2017 Roel Smit