Beiaardconcerten Sneek

Beiaardconcert Sneek op 26 juni 2013 om 20.00 uur door

Roel Smit, Doetinchem

 

Programma

 

De Sonata’s en Partita’s voor viool solo van Johann Sebastian Bach (1685 – 1750)

Eerste avond

 

Sonata BWV 1005 in C-groot

     Adagio – Fuga – Largo – Allegro assai

 

Partita BWV 1002 in b-klein

     Allemanda/double – Corrente/double – Sarabande/double –

     Tempo di Borea/double

 

Sonata BWV 1001 in g-klein

     Adagio – Fuga – Siciliana - Presto

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Beiaardconcert Sneek op 3 juli 2013 om 20.00 uur door

Roel Smit, Doetinchem

 

Programma

 

De Sonata’s en Partita’s voor viool solo van Johann Sebastian Bach (1685 – 1750)

Tweede avond

 

Sonata BWV 1003 in a-klein

     Grave – Fuga – Andante – Allegro

 

Partita BWV 1004 in d-klein

     Allemande – Corrente – Sarabanda – Giga - Ciaccona

 

Partita BWV 1006 in E-groot

     Preludio – Loure – Gavotte en Rondeau – Menuet I en II – Bourrée – Gigue

 

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

 

Bij de programma’s

 

Toen de tweeëndertigjarige Johann Sebastian Bach (1685-1750) in 1717 als "Capellmeister und Director der Cammermusiken" in dienst trad bij prins Leopold van Anhalt-Köthen, brak er een volkomen nieuwe periode in zijn leven aan. Zakelijk gezien ging het hem voor de wind: naast een verdubbeling van zijn loon, kreeg hij nu een eigen woning en de rang van "Hausoffizier". Geheel volgens de bepalingen van zijn nieuwe baan stonden tijdens de jaren dat hij in Köthen verbleef werken voor orkest, kleine bezetting of solo-instrument centraal. Kerkmuziek werd aan het calvinistisch gereformeerde hof van Köthen niet gevraagd.
Aan onder meer dit gegeven is de enorme proliferatie van puur instrumentaal werk van Bach te danken. Naast onder meer de Brandenburgse Concerto's, de vier Orkestouvertures, de vioolconcerten en de met klavier begeleide viool-, fluit- en gambasonates ontstonden composities voor één solo-instrument. Deze laatste groep bevat meesterwerken als het Wohltemperierte Clavier, de "Engelse" en "Franse" suites, de drie partita's en drie sonates voor viool "sensa basso" en de zes suites voor violoncello.
Bachs werken voor solo-instrument zijn niet alleen hoogtepunten van het genre, ze zijn ook toetsstenen voor het artistieke kunnen van een uitvoerend musicus. En niet in de laatste plaats zijn ze meditaties in pure muziek, virtuoos en verinnerlijkt tegelijk.

 

Bach schreef de zes sonates en partita’s voor solo viool in 1720. Verschillende delen en eenmaal zelfs een gehele partita bewerkte hij ook voor een ander instrument, waarbij bassen toegevoegd werden wanneer het instrument daar aanleiding toe gaf. De Fuga uit BWV 1001 bestaat ook voor orgel in een bewerking van de componist zelf. Partita BWV 1006 bewerkte Bach voor luit, compleet met toegevoegde bassen. De prelude van diezelfde partita bestaat als inleiding op een cantate, waarbij een geheel orkest is toegevoegd aan de orgelpartij die de oorspronkelijke melodie van de solo viool speelt.

 

We gaan er vanuit dat Bach niet bekend is geweest met het bij uitstek Nederlandse cultuurverschijnsel “carillon”. Had hij het instrument wél gekend dan blijft het de vraag of dat aanleiding gegeven zou hebben voor originele beiaardwerken van de hand van deze grootste componist aller tijden. Helaas moeten we het stellen zonder. Daarom spelen veel beiaardiers bewerkingen van Bachs muziek op “hun” instrument, en ik schaar mezelf graag onder hen. Onvergetelijke inspirator is daarbij voor mij geweest collega Jaap van der Ende, die in de tweede helft van de vorige eeuw op uiterst gedreven en muzikale wijze Bachwerken tot klinken heeft gebracht op de “Dordtse Dom”, ook de werken voor viool solo.

 

Ik heb de oorspronkelijke volgorde van de zes sonates/partita’s gewijzigd. Leidraad daarbij is geweest dat deze werken verdeeld moesten worden over twee programma’s. Elk van die twee moet in zijn spanningsverloop voor de luisteraar als een zelfstandige eenheid kunnen functioneren.

 

Een paar opmerkingen bij de afzonderlijke werken, in de volgorde van beide programma’s.

 

Sonate BWV 1005 in C-groot heeft precies als de andere sonates vier delen in een afwisseling langzaam – snel - langzaam - snel. Deel I is een statige inleiding, die voldoende gewicht heeft om ook als openingswerk te dienen van deze twee avonden. Deel II is een Fuga, zoals dat in alle drie sonates het geval is. Deze Fuga is de langste die de luisteraar deze avonden gaat horen: Tegen de tijd dat het lijkt of het werk naar een eindpunt toe gaat zet de componist het thema “op zijn kop” en begint vrolijk opnieuw zijn vindingrijkheid uit te leven. Een sfeervol en verstild derde en een spetterend en virtuoos vierde deel completeren deze sonate.

 

Partita BWV 1002 bestaat zoals gebruikelijk uit een opeenvolging van vier dansen: Allemande, Courante, Sarabande en Bourrée (dit laatste in plaats van een Gigue). Bijzonderheid is dat elke dans een tweede maal gespeeld wordt in een variatie waarbij de muzikale beweging verdubbeld is (“double”).

 

Sonate BWV 1001 in g-klein heeft een prachtige dromerige en fantasievolle inleiding. De Fuga die daarop volgt is bij veel muziekliefhebbers geliefd, ook in Bachs eigen bewerking als orgelfuga. Aan het slot van de Fuga een uitgeschreven cadens die er wezen mag! Een lichtvoetige Siciliana volgt op de Fuga, waarna ter afsluiting het snelle vierde deel, dat het door zijn vele accoorbrekingen op carillon bij uitstek goed “doet”. Dit deel is tevens de afsluiting van de eerste avond.

 

Sonate BWV 1003 in a-klein opent de tweede avond. Ook hier een dromerige en verstilde inleiding met prachtige guirlandes, gevolgd door een lange Fuga met een kloek en bondig thema. Na het stille deel III (Andante) volgt het uitbundige Allegro dat gekenmerkt wordt door zijn scherpe en stereotype ritmen en zijn echo-effecten.

 

Partita BWV 1004 in d-klein bestaat uit de gebruikelijke vier dansen. Maar dan volgt als extra een van de hoogtepunten uit de vioollitteratuur: de Chaconne. Dit werk duurt bijna even lang als de andere delen tezamen! Na het thema van acht maten volgen 31 variaties, waarin naar mijn mening alles gezegd wordt wat er met muziek te zeggen is. Kruip erin en maak het mee!

 

Partita BWV 1006 in E-groot sluit deze twee avonden af. Na alle emotie uit het vorige werk een ontwapenende en uitbundige vrolijkheid. Een Prelude in een snel tempo opent het werk. Daarna een rustige Loure, een dansvorm afkomstig uit Normandië. Een gul aantal dansen volgt hierop, zodat deze Partita van de drie de meeste delen heeft. Zo besluit deze overvloedig opgezette partita twee avonden, waarin bijna drie eeuwen nadat deze muziek geschreven is hopelijk hoorbaar is geworden hoe Johann Sebastian Bach een scheppend kunstenaar is van alle tijden!

 

Roel Smit

Design by IndionDesign    © 2017 Roel Smit